Boekgegevens
Titel: Eerste(-tweede) vijftigtal leerrijke verhalen ontleend van de Nederlandse spreekwoorden: ten dienste der scholen
Deel: 1e vijftigtal
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1855
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 G 63
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205567
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste(-tweede) vijftigtal leerrijke verhalen ontleend van de Nederlandse spreekwoorden: ten dienste der scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
13
Toen nu beide elkander voor het eerst ontmoeten,
brak het onweder los. Andries schold Lodewijk uit
voor een' lijndief, — en Lodewijk Andries voor een'
konijnroover. Van schelden kwam het tot worstelen,
en van worstelen tot slaan en schoppen , tot dat de
vader van Andries er op toe schoot, en de beide on-
deugende jongens bij de bebloede koppen greep , en
ze van elkander scheurde.
De vader moest nu de oorzaak van den-twist weten.
Andries verhaalde met ontzettende drift en hevigheid,
wat Lodewijk gedaan, — en Lodewijk daarentegen,
even zoo onstuimig, wat Andries bedreven had. Beide
wisten hunne zaken zoodanig voor te dragen , dat de
vader er al ras niet meer aan twijfelde, of zij had-
den beide gelijk. Hij noodzaakte nu de beide jongens,
om de gestolene goederen oógenblikkelijk te halen en
tegen elkander te verwisselen.
Toen de teruggave geschied was , zeide de vader :
)> Thans heb ik de waarheid van het spreekwoord
ondervonden: »de pot verwijt den ketel, dat hij zwart
is t ofschoon zij beide te vuur gaan.""
»Echter zoude ik het voor oneindig beter houden,
dat de pot en de ketel beide zich zeiven schuurden,
opdat zij blank werden, of met andere woorden: dat
ondeugende kinderen trachten, om hun gebrek af te
leggen , in plaats van elkander erge verwijtingen te
doen en met hatelijke scheldwoorden te overladen.'*
Nu nam de vader de beide ondeugende jongens bij
den arm, en ging er mede naar den vader van Lode*-
wijk. Hier moest Andries openlijk beterschap beloven
en om vergiffenis vragen j — terwijl de vader van
Lodewijk zijnen zoon tot hetzelfde, omtrent den vader
van Andries, noodzaakte. Deze gebeurtenis liet op
beide jongens zulk eenen indruk achter, dat zij zien
van stonden aan, tot hun tijdelijk en eeuwig geluk,
de hatelijke ondeugd van diefstal ontwendden.
Wanneer de deugniet, t kwaad van zijnen makker ziet,
Bedenkt hij. daarbij nóg zijn eigen misdrijf niet.