Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
72 DE LOFZANGEN.
9. Maar acli! dat zoeten ben ik kwijt,
't Is nu voor mij een wintertijd.
Mijn hart is koud en stijf bevroren.
Ik heb een liefde vuur verloren.
. 10 Mijn zondig hgirt ja de oude mensch
Komt .tegen wil en tegen wensch,
Mijn hart van Jezus weg te voeren,
En brengt mijn ziel in- veel beroeren.
11. O volk van God had ik gedacht.
Dat ik zoo haast der zonden kracht,
Zou tot mijn smarte ondervinden.
t>oe Jezus mij zoo lieflijk minde,
12. Haar scheen'geen Kananiter meer,
Ik gaf mijn harte aan den Heer,
En echter kwam ik alle dagen,
Noch, tegen 's Meeren volk te klagen.
13. Maarnu is 't voor mij klagenstijd
Ik leef .in duisternis en strijd,
mijn hart wil nu zoo niet verbreken.
En Jezus is van mij geweken.
14. Ik dacht niet dat mijn teere ziel,
Zoo veel van 't aardsche overhiel.
Uewaar toch mij getrouwe Herder!
Dat ik van U niet dwaal nog verder
15 Mijn ziele kleeft U achter aan.
Al zijt Gij van mij weggegaan;
Gij hebt belooft niet uit te blusschen.
Een vonk ei kust mij met de kussen.
16 Op nieuw van uw genademond,
J)ie ik zoo dikwijls ondervond
Al brand ik niet ik rook van binnen,
Ach, konde ik U op nieuw .beminnen.
17 Ach! dat Gij' weder tot mij kwam,
En ik op nieuw U 't harte nam,
Mijn ziele blijft nog aan U kleven,