Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
ISRAELS t*
Maar ongeloovig heen te gaan,
Dat is de voorboó van het sterven,
Zal ik dan eeuwig Jezus derven.
En zonder borg in 't oordeel staan?
5. O Heere! wilt mijn hart toch breken
En in mijn do.de ziele steken.
Uw scherpe pijlen door uw magt,
Wilt mijne ziel ter nedervellen.
Ik kan het zoo niet langer stellen, ,
Mijne ziele op uw invloed wacht.
6. En of de pijlen van uw woorden,
Mijn harde hart nog eens doorboorden
De wond is haast genezen weer.
Dus ga 'k in ongevoelig klagen,
Verslijten al aijn levensdagen
Ach velt dit trotsche liart ter neer.
7. Ach! voelde ik de schuld der zonden
Met smarte mijne ziel doorwonden.
En zag ik Gods geduchte regt.
Dat voor de zonde eisclu voldoening
Dan zou mij Jezus tot verzoening.
Begeerlijk worden, ach' ik zeg,
S. Met innig wenschen en begeeren.
Ach! dat maar eens den <«'eest des Heeren
Zoo krachtig in mijn ziele wrocht,
Dat ik-niet langer zoo kon blijven.
Maar Gods verbond moest onderschrijven,
Ach! dat de Heer zijn werk volbragt,
9. Ik zal het toch niet verder brengen,
Hoe kan uw goedheid geheugen,
Dat ik nog langer in den dood
Zal blijven: in zoo zondig leven,
En naderen vol eeuwig beven,
't Voltrekken in des jongsten nood?
10. Ach zal ik dan nirt de oogen open