Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
68 DE LOFZANGEN.
't Hart doorgrieft en 't gemoed, Verzaadt
Jezus is mijn Toeverlaat, Jezus is 't alleen,
Daar mijn hart gaat heen Naardien Levensvorst
Nijne ziel gedurig dorst.
IL Ja wat zou die hemel zijn as er Jezus niet
Daar is toch niet als druk en pijn.
Als men Jezus vliedt: Al 't gezangen 't geschal.
Eeuwig lang niet beval Aan mij.
Als mijn lof niet Jezus zij; Jezus is 't alleen
Daar mijüifhart gaat heen: Naardien Levensvorst
Mijne ziel gedurig dorst.
Ke ongevoelde pijn.
Stem: O Kersnacht schooner dan de dagen.
1, 29ste Lied.
Wat ben ik vol van alle zonden.
En met doodsbanden vastgebonden:
Mijn arme ziele die is dood.
Ik ben zoo blinden iu 's hemels wegen.
En van rondomme gansch verlegen,
Mijn flaauwe ziel die klaagt haar nood.
2 Ach, kon ik toch maar innig klagen
En al mijn nood voor Jezus dragen
Hat zou verligten mijne pijn.
Maar ik ben altijd vaa rondomme
Ellendig, hoe zal ik ontkomen,
't Verderf en eens behouden zijn.
3. Ach! drukten mij mijn diepe ellenden
Ik zou mijn ziel naar Jezus wenden
Maar ach ik ben geheelijk dood.
Want Jezus roept die gansch verslagen
Verlegen zijn en bitter klagen;
Ach voelde ik mijn ziele nood.
4. Was ik maar ziek aan mijne zonden,
Daar is genezing in zijn wonden: