Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
62 DE LOFZANGEN.
3. O wonder boven wonder groot,
Dat wij zoo vuil zoo naakt zoo bloot.
Verworpen op de velden,
■ Zijn opgevat, als niemands oog,
't Ha:t uiet ontferming't onwaarts boog
Nog te onzer huJp zich stelde.
Toen kwam Gods Lam.
Tot ons dalen ons ophalen.
Uit de ellende,
Jezus was 't die tot ons wendde.
4. Dij sprak naar't hart't had diepe klem
De indruk scheen een donderstem,
't Heugt ons nog toen Hij klopte,
Met hand en voet en geest en woord.
Nu lieflijk dan weer als ver.'itoord.
Tot Hij de deur opschopte;
Uie glans nogthans.
Schoot naar binnen onze zinnen.
Kwam bestralen.
Had van heerlijkheid geen palen.
5. Als 't hart dus kreeg een liefdeschecht
Van zijn beminnelijk aangezigt,
't Was heel door liefde onstoken,
't- Vond nergojas rust 't wou tot Hem gaan
Het barstte uit in meengen traan.
Ja was geheel verbroken;
Een zucht gaf lucht
Om te kermen om ie ontfermen,
Dus wij kwamen,
In een trouwverbond te zamen
6. Toen wasons woord ziedaar mijn hand
Mijn hart mijn ziel aan u verpand.
'k Zal schrijven met mijn bloede:
'k Wil voor U zijn en Gij voor mij,
Geheel en al eu blijt daarbij,