Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
60 DE LOFZANÜEN.
Die op hun zoo klaar ten toon leidt,
Dat mij ook het harte nam,
'k Zag met Goddelijke stralen,
't kostelijke Godesbeeld,
Mij niet mogelijk af te malen.
Zoo als 't in hun wezen speelt^
11. 't Schoone beeld van heiligheden,
Straalde van hun wezen af, «
't Niéuwe schepsel had zijn leden,
Dit was regt des Heeren lof,
't Zuchten klagen, weenen schreijen,
Oat men daar om Jezus doet,
En een zang der maagdenreijen,
Alles was mij even zoet,
12. 't Was een volk dat wist te binden
'd Allerhoogste met geweld.
Dwongen God en bleven vrinden,
O hoe was dat volk gesteld.
Ja de Koning was gebonden,
Aan zijn schoone jgalerij,
En van liefde zelfs verslonden,
Dit was wonderlijk voor mij.
13. Wonder leefden zij in vreden.
Dat was zoet en aangenaam:
Vol van enkelr lieflijkheden,
O hoe smolt hun hart te zaam
't Zamen dienden zij den Heere,
Een van hart en een van weg,
O hoe zoet is dat verkeeren.
Daar geen aanstoot nederleg.
14. Dat 'smijnhoop en mijn vertrouwen
Dat ik met Mesaias bruid.
Eeuwig zonder druk eu rouw^
Leven zal eeuw in eeuw uit.
Als dat volk uit alle talen.