Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
52 DE LOFZAjNGEN
Hij voert u iu Jeruzalem,
Dat God in vrede stichtte
5. Maar 't arme volk dat zucht en klaagt
Ach Jezus houdt zich verre
Als in mijn ziel geen licht opdaagt.
Van deze morgensterre
Dan is die Heiland ver uit 't oog
Ach dat mijn klagen Hem bewoog.
Ach schoot hij zijne stralen,
■ Op mijn verduisterd zondig hart,
Dat nu in ongeloof verward.
Geen adem weet te halen.
6. Ik heb geen krachten van geloof
Ik durf niet op Hem leunen.
Voor zijne roeping ben ik doof.
Ach kon ik op Hem steunen,
Hoe raak ik nog mij zeiven kwijt.
Om Jezus voor een eeuwigheid,
Eens hartelijk te kiezen?
O trek mij Goddelijke hand
En doe mijn ziele onderstand,
En laat ik mij verliezen.
7 Ach kon ik maar mijn gansche hart
En ziele overgeven,
Dan was ik eeuwig vrij van smart
En erfgenaam van 't leven
Wat sta ik zoo en dreig en draal.
Heeft Gods gena dan eind of paal?
Ik zal het op haar wagen,
Gods waarheid staat hiervoor te pand.
God zweert zijn trouwen reikt do hand
Hij wil zijn vijand plagen.
8. Zou ik nog langer blijven staan.
En God voor ontrouw houën
Ik wil mij nu niet meer beraan.
Maar me aan Hem toevertrouwen;