Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
44 DE LOFZANGEN '
Mögt Jezus in mij leven.
En schenk mij zijn liefdehart
Ach, mögt mijn oog en zielesmart.
Zijn liefdehart doorkleven.
De roem van vrije Genade.
Stem: Wie sleet heugelijker dagen.
1. 20de Lied.
Zalig Wezen vol genade,
Eeuwig waardig al mijn lof
Hoe' verheven zijn uw daden,
Mögt mijn ziele uit het stof, .
Zich verheffen en verkonden,
Uw gena aan mij geschied,,
- Mögt ik regt uw lof verkonden,
En U zingen Mozes lied, en U enz.
2. Gansch ellendig en verloren;
Lag ik neer op 't vlakke veld,
Blind vijandig onherhoren,
Schoon tot zaligheid gesteld,
'k Was mijn eigen ziels- ellende.
Onbekend en wist het niet,
Dat ik God noch Christus kende,
'k Had geen smarte noch verdriet, 'k Had enz
'ó. 'k Éeb de zonfle en ijdelheden
Na gewandeld en gediend.
Met mijn ziels eu ligchaamslede ,
Als een regte^ werelds vriend;
Dus verlofen door de zonden,
Kwam de hoogste Majesteit.
Mijne ziele diep doorwonden.
Toonde mij zijn heerlijkheid Toonde enz
4. Al miju sno.üd en zondig leven,
Eu gestalte van mijn hart,
Werd mij toen te zien gegeven,