Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
ISRAELS 41
12. Dan roemt mijn ziele Jezus eer,
En buigt zich neer, In ootmoed teer.
Voor zijn genadetroon,
Mijn liefde en mijn lof, Mijn liefde en mijn lof,
Die draag ik daar aan Jezus op.
Dan vind ik vreugdestof.
13. Al mis ik dan al 't aardsch genot
Als ik met God, Mijn deel en lot,
Verkeeren mag gemeen:
Dan is mijn hart verblijd,
Dan is mijil hart verblijd,
Eu 't is mij als een voorportaal,
Der zaal'ge heerlijkheid.
14. Ach dat mijn ziel bet aardsch gewoel.
Niet van mijn doel, En 't blij gevoel
Der liefde van mijn God,
Ontzet wierd en beroofd. Ontzet wierden beroofd
Maar veel alleen en regt gemeen,
Vereenigd met mijn Hoofd.
15. Mögt 'k leven in dit tranendal,
Tot dat ik zal. Met blij geschal.
Mij in der Engelen rei
Verlusten voor de troon, Verlusten voor de troon
En prijzen tot in eeuwigheid.
Den Vader en den Zoon.
Een Zondaar regt ondekt aan'zijn eigen
ellende en Jezus algenoegzaamheid wendt
zich tot Hem om behouden te worden.
Stem: Wanneer de zon in 't morgenrood.
1. , 19de Lied.
Emanuel Gods wouderzoon.
Vol grondeloos ontfermen.
Voor elk die nedrig voor uw troon,
) Ligt over schuld te kermen:'
4*