Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
30 DE pFZANGEN
Aan Mij haar toevertrouwen,
En op die vrij genade vond.
Zijn ziele waagt op eeuwig grond,
Dat die niet zal verderven,
Maar 't eeu"wig leven erven.
7. Ik wil mij dan niet meer beraan.
Maar mij daar henen wenden,
Kn naar dien rijken Jezus gaan.
Met al mijn ziels-ellenden,
Ik kom dan Jezus onbevreesd,
Tot uw geregtigheid en'^geest.
Laat dit mijn ziel genezen,
En ik de uwe wezen.
8. Ach konde ik met mijn ziels eilend,
Geloovig tot IJ vlugten,
Ach! Was mijn hart tot U gewend,
Ach konde ik maar met zuchten.
Mijn klagten storten in uw schoot,
En al mijn zielsgebrek en nood,
Ootmoedig 't allen dagen.
Aan ü, mijn Jezus fclagen.
9. Dan zou mijn ziel in de open lucht
Nog adem kunnen halen.
Mijn hart verruimd door zulk een zucht
Zou vrolijk zegepralen.
Dat klagen van mijn nood en pijn.
Zou balsem voor mijn ziele zijn.
Genezing van mijn smarten;
Q^eef mij" dien wensch mijns harten
\Veerzang over den eerste Zondag uit
de Catechismus,
stem: Wie sleet heugelijker dagen,
1. 17de Lied.
V. Christen! kom, zet u beneven,