Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
28 DE LOFZANGEN '
8. Ach kon ik nu o Heer der Heeren!
Ook zoo mijn oude zondekleeren,
Een trekken uit dat was mijn wensch
Maar Heer dat oude kleed der zonden,
Dat is aan mij zoo vast gebonden.
Verbreekt Gij zelf dien oude mensch.
9. Ik blijf daar 'snachts ook mee omhangen
't Heeft mij van allen kant omhangen,
Ach wilt dien rok van vleesch besmet.
Maar vrij geheel aan stukken scheuren.
Mijn ziele zal er niet om treuren.
Maar zijn van veel verdriet gered.
10. Ik zal-mij dan te rust begeven
En »spaart mijn ziele toch in 't leven.
En laat ik vrij van zorg en pijn,
En al w^at rust verkeerd in rouwen.
Het licht des morgens weer aanschouwen
En dan nabij den Heere zijn.
Het schepsel niet, maar God het al.
Stem: 's Hemels oogen wilt gedoogen.
1. 13de Lied
Heer der Heeren wilt mij leeren.
Ziet des schepsels nietigheid.
Konings kroonen schepters troonen,
Dat zij zijn maar ijdelheid,
O zalig leven laat ik -niet kleven,
Aan het schepsel hier beneen,
Aan het schepsel hier beneen.
Laat mijn oogen niet bewogen.
Worden door dien schoonen schijn, >
Van een nietig en verdrietig.
Schepsel tot mijn zielepijn.
^ Wt'^- weg dan wereld hoe schoon bepereld
God alleen on anders sreen.