Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
24 DE LOFZANGEN '
En liefd' tot in ,t liart ontstak,
Gelijk een kindje plag,
9. O Vade'! was mijn hart bereid,
Om te allertijd, Met vurigheid.
Uw wil alleen te doen,
Uw wil en niet de mijn, Uw wil en niet de mija
Ja laat miju boozen eigen wil.
Geheel verbroken zijn,
10. Regeer mij Vader, als uw kind,
In mij verslind,'Al wat nog mint.
Het echepsel, zonden U,
Neemt Gij mijn hart geheel,
Neemt Gij mijn hart geheel.
En stort daarin uw liefde uit,
O God! mijn zalig deel.
's Hemels Heerlijkheid.
Stem: Augustinus ging eens #iften.
1. 11de Liei
Komt .Tehova.s Lievelingen,
Voor den hemel reeds bereid,
Laat ons met elkand,ren zingen.
Van des hemels heerlijkheid;
Zit gij hier in 't tredrig duister,
Boven zal het zalig lich,
's Hemels glans in vollen luister.
Stralen in uw aangezigt,
2. t'aar moet zon en maan voor zwichten
Lichteu aan den hemeltrans;
Want het Lam zal daar verlichten;
Met zijn heerlijkheid en glans,
'd IlemeistaJ en die bestralen,
•Ta de Godheid die daar woont
Zal in 'd liemelgcesteu dalen,