Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
ISRAELS. 23
Die niets dan straffe had verdiend,
Ja toorn vloek, en hel.
4. Ik was een eigen duivelskind,
Niet waard bemind. Met niemand vrind
Als men den helschen geestf
Men zag in mij wel ras,
Men zag in mij wel ras.
Dat ik het beeld des satans droeg.
En hij mijn vader was.
Mijn zin, mijn wil mijn zielelust
Was niet gebluscht, En had geen rust,
Dan in mijns vaders wil,
Zoo zondig, boos en snood, •
Zoo zondig, boos en snood.
Was ik o rein en zalig God!
Van alle deugd ontbloot
6. Maar niettemin, waneer de tijd .
In de eeuwigheid Van God bereid
Om mij te trekken was
Kwam hij met reine min
Kwam hij met reine min
Mij snood vervloekte Adamskind
Geheelijk nemen in. _ \
7. Zijn liefde, hemelhoog en groot,
Nam mij, zoo snood, In zonde en dood
Verloren en onrein,
Voor eeuwig tot zijn kind,
Voor eeuwig tot zijn kind,
En sedert heeft mijn hart alleen.
Als Vader hem bemind. \
8. O Vader die mijn .harte ziet.
Is 't niet geschied. Hebt gij mij niet
Gegeven uwen geest,
Die 't kinderlijk ontzag, Die 't kinderlijk ontzag
3