Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
14 DE LOFZANGEN '
Tot een zeker onderpand,
Van een eeuwig zalig leven,
In 't gelegend vaderland:
Vrij van alle druk en rouwen
Wel wat dunkt u van dat goed?
Kunt gij nu niet haast beschouwen.
Mijn gebrek en övervloed mijn gebrek enz;
Ik zal mijn band tot de kleine wenden.
Stem: Tsalm 9.
1. 6de Lied.
O Jezus! goedertieren Heer!
Hier ligt een wormpje voor u neer,
Met al zijn nood en ziels-ellenden.
Wilt toch uw hand tot zoo een wenden.
2. Ik stort voor U, o Heer mijn klagt
Ik heb geen licht, ik heb geen kracht
Mijn ziel is in mij neergebogen,
Ei! slaat op mij uw liefdeoogen.
3. Kom, Jezus vat mijn regterhand,
En red mijn ziel uit dezen stand,
En trek mij, Heer? dan zal ik loopen.
Vermeerder mijn geloof en hopen.
4. Ei wend uw hand en geef mij licht
Ik heb zoo weinig zielsgezigt:
En laat ik regt mij zelf beschouwen.
Ik durf mij anders niet vertrouwen
5. Ik vrees dat ik nog alles mis,
En al mijn werk geen waarheid is
En heb ik mij tot hier bedrogen,
Ach open dan toch nu mijn oogeu.
ö. Mijn hart dat geeft al zucht op zuclit,
Ath stel mijn ziel in 'd opeii lucht.