Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
ISRAELS ' , 11
Voor die, die U gestadig-,
Zoekt' hartelijk eu vroeg;
Daarom zal ik mij wenden.
Mij wenden, mij wenden.
Tot ü met mijn ellenden,
Zoo~ lang ik heb genoeg,
12. En dat zal mij .aankleven.
En ik niet raken kwijt,
Tot dat fk na dit leven.
In zaalge heerlijkheid,
Volmaakt U zal aanschouwen,
Aanschouwen, aanschouwen,
Bevrijd van smart en rouw,
Zijt welkom eeuwigheid ,
Niets hebbende, en nogtans alles bezittende.
Stemi Wie sleet heugelijker dagen.
1. 5de Lied.
'k Ben met rijkdom overladen,
Wereldling ik heb een schat,
'k Mag mij in de weelde baden
Oie geen wereldling bevat,
Ik ben vol van goed en eere,
ik bezit een hoogen staat
En ik draag de beste kleereu
Zijd of kostelijk gewaad, zijd ot enz.
2. Maar gij zult mij niet bevatten,
Wereldling en dus aan mij.
Vragen, waar toch deze schatten.
Waar die hooge staten zijn?
Ja verwonderd zult gij vragen:
Wel wat i^ 't toch dat gij praat,