Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
AANHANGSEL. 103
3. Want anders was ik al verdorven,
En in mijn zondeschuld gestorven
En neergestort in 't eeuwig vuur;
Nu leeft ik nog in 't zalig heden.
Waarin dat Go l mij aanbiedt 'vrede.
Nu leef ik nog in 't zalig uur,
4. Een dag van zaligheid en leven.
Wat eere zal ik Gode geven.
Dat Dij mij nog zoo lange draagt.
Maar ach! wat beu ik nog verloren,
In ongeregtigheid geboren,
De vijand mijne ziel belaagt,
5. Ik ben versmoord in mijne zonden.
Vol striemen ,en vervuld met wonden,
Ik ben een eeuvvig onheil waard:
Ach wat zal ik dan nu gaan maken, ,
Om uit dien naren staat te raken,
Hoe kom ik nog tot God bekeeid.
God spreekt
6. De vloek der wet zal mij niet rouwea
Ik kan de zonden niet aanschouwen.
Mijn Godd'lijk regt moet zijn voldaan:
Mijn Majesteit die is vertreden.
Ik spreke in geregtigheden,
U, zondaar om uw schulden aan.
De Zondaar spreekt
7. Ja God des hemels! 't is regtvaardig,
ik ben een eeuwig- straffe waardig.
Ik stond ü naar uw eer en kroon,
G.j kondt regtvaardig mij vèrdelgen,
Dat de aarde mij kwam in te zwelgen,
Ik werp mij schuldig voor uw troon.
8. Ik roep dan enkel om ganade.
Een regt berouw kom nooit te spade,
Zijt Gij niet vol barmhartigheid?
8