Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
lOÖ AANÏIANGSEL.
Op die wankelbare zee.
Och hoe lange zijn die jaren,
Kwam het scliip maar op de ree;
Dat de zon zijn loop versnellen,
i'at de maan wat meerder spoed.
Make, om dat bitter kwellen.
Te eindigen in. 't eeuwig zoet,
11. Dat de sterren in den hemel
Maar wat rasser mogten gaan,
O hoe zoet is dat gewemel,
Als de menschen troonwaarts gaan.
Maar de tranen en de klagten,
Van een arm verloren volk,
Die nog op genade wachten,
Is gezonken in een kolk
12. Vol van hare ziels ellenden.
Roepen om een vindenstijd.
Tot dat God zijn oogen wenden
In zijn g'oedertierendheid,
O! dat dan de hemellichten,
linnnen loop wat trager spoen:
Daar i.i nog wat te rerrigten,
üaar is tijd nog toe van doen.
13. O God! rek de wereldsdagen,
Geef een volk genadetijd
Dat zij door hun bitter klagen.
Winnen tegen God den strijd
Laat zij dagen ende nachten.
Nog betreuren hunnen staat.
En nog op genade wachten,
't Is toch nu nóg niet te laat.
14. 'd Halve eeuw is nu verluopea
eggevlog-en. vijftig jaar.
Ach! ging.elk de tijd uitkoopen,
Naberouw wat valt dat naar: