Boekgegevens
Titel: De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Auteur: Groenewegen, Johannes; Groenewegen, Jacob
Uitgave: Amsterdam: Van der Linden, 1879
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2963
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205513
Onderwerp: Theologie, godsdienstwetenschappen: liturgie
Trefwoord: Geestelijke liederen, Liederen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De lofzangen Israels, waaronder de Heere woont: zijnde eenige geestelijke liederen
Vorige scan Volgende scanScanned page
92 DE LOFZANGEN.
Hoe verduisterd, vast gekluisterd,
Nèergedrukt door 't zoadenkwaad,
'k Zoek met kermeu en ontfermen,
.In mij zei ven buiten raad,
2. Mogt mijn ziele nederknielen.
En met diepe smart vervuld.
Voor U buigen, eü betuigen
Al mijn zware zondenschuld.
3. Gij regtvaardig ik onwaardig,
Ecbter een vergevend God,
Die genade, vroeg en spade.
Schenkt en onderhoudt mijn lot, ,
4. Als ik del va in mij zelve,
Vind ik mij geheel onrein,
En inwendig gansch ellendig.
Rondom zondig en ik schijn.
5. In mijn eogen raak bedrogen,
Dat ik meen« Godes beeld
Nog te dragen en ik vrage;
Hoe zoo een U 't harte streelt?
6. Die vol zonden «chuld en wonden,
Ganech verloren en ontbloot.
Voor' zijn leven niet kan geven,
Noch-tot redding van den dood,
7. Anders geene dan alleene.
Gij, die alles hebt vervuld.
Kunt genezen en mij wezen,
Töt verzoening voor mijn schuld.
8. Zou mijn harte niet met smaitc
Treuren over 't zondenkwaad.
Oie de wonden toegezonden
J lebben, Godes Zoon ten smaad.
9. Kruis eu baiiden alle schänden,
Aangedaan en helsch verdriet,
Dat Hij klagen moest en vragen.