Boekgegevens
Titel: Oplossingen der Verzameling van rekenkundige opgaven, ten dienste van gevorderde leerlingen en aankomende onderwijzers: in vier tweehonderdtallen
Auteur: Sluijters, Hendrik
Uitgave: Delft: J. de Rooy, 1842
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 681 F 1
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205472
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oplossingen der Verzameling van rekenkundige opgaven, ten dienste van gevorderde leerlingen en aankomende onderwijzers: in vier tweehonderdtallen
Vorige scan Volgende scanScanned page
ACniSTE UONDEUDT.iL. (333)
Vraagstuk XC.
De beide minste soorten moeten in gehalte winnen ,
en die aanwinst kan alleen gevonden worden uit
hetgene do derde soort in gehalte verliezen kan. Van
die derde soort moet men dus vooreerst even veel
mark nemen als van de tweede , wijl de derde 1 pen-
ning per mark te veel, en de tweede 1 penning per
mark le weinig heeft, welk meerdere dus bij een gelijk
aantal marken van deze beide soorten legen het min-
dere juist opweegt; maar bovendien moet men van
de derde, soort nog driemaal zoo veel mark nemen
als van de eerste soort , want om het te kort op 1
mark van 7 penningen te vinden, heeft men het meer-
dere op 3.mark van 11 penningen noodig. Daar men
nu van de eerste soort ten minste l mark , of een
geheel getal marken nemen moet, zullen wij met 1
mark van die soort beginnen. Keemt men 1 mark van
7 penningen, dan moet men 19 mark van de andere
soorten zamen nemen , en wel 3 meer van de derde,
dan van de tweede ; de vraag is dus het getal 19 in
twee deelen te verdeelen, welke 3 verschillen, mits
dit in geheele getallen kunne geschieden , en dit.kan
altyd, wanneer de som, van de som en het verschil
der deelen , een even getal is ; men moet dus
11 mark van 11 en — 8 mark van 9 penningen
bij het eene mark van 7 j)enningen voegen. Op gelijke
wijze zal men ook de andere antwoorden vinden.
Vraagstuk XCL (')
Het tweede het vierde = II ; 6; dus kan het
tweede ranggetal geen ander zijn dan 11 of 22 , waar-
door het tierde 6 of 12 wordt; de «om van het tweedo
en \ier(le moet dus 17 of 34 zijn ; maar uit hftt laatste
gegeteno blijkt, dat die som grooter dan 28 moet
(•) In het Trawfjituk. moet itaan: Daar tijn vier ^ehoele ggkaUtn,
bcnaden 27} tai.