Boekgegevens
Titel: Oplossingen der Verzameling van rekenkundige opgaven, ten dienste van gevorderde leerlingen en aankomende onderwijzers: in vier tweehonderdtallen
Auteur: Sluijters, Hendrik
Uitgave: Delft: J. de Rooy, 1842
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 681 F 1
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205472
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen
Trefwoord: Rekenen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oplossingen der Verzameling van rekenkundige opgaven, ten dienste van gevorderde leerlingen en aankomende onderwijzers: in vier tweehonderdtallen
Vorige scan Volgende scanScanned page
(2) EERSTE HOIVDERDTAL.
Vraagstuk II.
In elke evenrediglieid staat de som van de termen
der eerste reden tot de som van de termen der tweede
reden , gelijk de voorgaande term van de eerste reden
tot den voorgaanden term van de. tweede reden , of
gelijk de volgende term der eerste reden tot den volgen-
den term der tweede reden. Onderstellen wij nu , dat
de getallen , welke de ouderdoms-verhouding uitdruk-
ken , de termen der eerste reden van eene evenredigheid
zijn , en die, welke den ouderdom van ieder uitdrukken,
de termen der tweede reden , dan is da som van de
termen der eerste 3 + 4 = 7 en die van de termen
der tweede reden = 21. Nu kan men stellen 7:21 =
•J : a; = 9 jaren den ouderdom van Pieter en 7 ; 21
= .4 : X ■=. 12 jaren den ouderdom van Jakob.
Vraagstuk III.
Indien de knechts beiden 10 weken werken, ont-
vangt A SO gulden meer dan B, dewijl deze in ééne
week S gulden minder verdient, doch volgens de opgave
ontvangt A slechts 40 gulden meer dan B, wanneer
deze 12, dat is 2 weken meer werkt. Hieruit blijkt,
dat B in 2 weken 50 — 40 = 10 gulden wint, dus 5
in eene week. A verdient wekelijks 8 gulden meer,
dus 5-t-5 =10 gulden.
Vraagstuk IV.
Hij zou buiten wanbetaling 8 gulden gewonnen hebben ;
doch nu verliest hij (/■ 0,8x12) — 8 = 1,60 gulden.
Oeze 1,60 gulden is dan de Sp"' verlies; Sp"' is '/20
deel van den inkoop, dus de geheele inkoop f 1,60
X 20 = 32 gulden en de verkoop 32 + 8 = 40 gulden.
Wij hebben nu de evenredigheid /'0,80 verkoop van
1 ft" : /'40 verkoop van al de ® = 1 ffi : a;, waaruit
x = öO ö;. Het ft' is dus ingekocht voor = 64 centen.