Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
waargenomene. Onze begrippen en gedachten hebben dus in de
eerste plaats overeenkomst met iets, dat werkelijk is of geschiedt,
en beantwoorden derhalve oorspronkelijk aan de werkelijkheid.
Dit is zelfs het geval bij gedachten, in problematische en hypo-
thetische zinnen uitgedrukt; want ook de eerste bevatten iets,
dat volgens des sprekers inzicht werkelijk kan, de tweede iets,
dat onder zekere omstandigheden werkelijk zal plaats hebben.
Maar, wanneer de geest met een genoegzamen voorraad van voor-
stellingen is toegerust, en zekere vaardigheid verkregen heeft om
zich de eenmaal gevormde begrippen en gedachten naar wille-
keur weder voor te stellen, dan begint hij zich ook gedachten
te vormen, die niet met de werkelijkheid overeenkomen, zich
toestanden en voorvallen te verbeelden, die niet bestaan en dik-
wijls zelfs niet bestaan kunnen. Heeft zulks in den slaap plaats,
dan heet het droomen; geschiedt dit spel der verbeelding bui-
ten den slaap, louter met het doel om zich te vermaken, dan
noemt men het phantaseren. Maar dikwijls stelt men zich in
goeden ernst voorvallen, toestanden en betrekkingen voor, die,
hoewel niet met de werkelijkheid overeenstemmende, nogtans
voor de' kennis der werkelijkheid van groot belang zijn. Onze
gedachten zijn derhalve ten opzichte der overeenstemming met
de werkelijkheid tweederlei: bf zij zijn door de werkelijkheid
gegeven en daarmede overeenkomstig — wij meenen dit al-
thans —; bf zij zijn willekeurig en van de werkelijkheid onaf-
hankelijk.
Het groote, boven aangeduide onderscheid wordt in de taal
veelal uitgedrukt door verschillende vormen, die het werkwoord
aanneemt, en die men modi of wijzen noemt. De oorspronke-
lijkste vormen van het werkwoord, die den zoogenoemden Mo-
dus indicativus of de Aantoonende icijs uitmaken, dienen ter
uitdrukking van hetgeen als met de werkelijkheid overeenkomstig
voorgesteld wordt. De Indicatief is derhalve de modus der wer-
kelijkheid. Hij komt wel is waar ook in problematische en hy-