Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
82,
overeenkomt. Men beoordeelt dan de gedachte des sprekers
of schrijvers, en treedt daarmede eigentlijk buiten het gebied
der Logische Analyse.
Op blz. 16 en 17 worden de assertorische zinnen behandeld.
De verklaring, die daar gegeven wordt, is goed, maar de voor-
beelden zijn niet van de beste, dewijl het eerste een zamengestelde
volzin is, en de overige louter uitdrukkelijk assertorisch
zijn; waaruit lichtelijk volgen zal, dat een beginner zwarigheid
zal maken om zinnen als de volgende: Het weder is schoon;
De zomer is voorlij, insgelijks assertorisch te noemen. Men zal
onzes inziens wel doen, indien men ook de assertorische zinnen in
stilzwijg end cn uitdrukkelijk assertorische onderscheidt.
Na de assertorische zinnen wordt, blz. 17, over de apodi-
ctische, en, blz. 18 en 19, over het onderscheid tusschen phy-
sische, moreele en logische mogelijkheid en noodzakelijkheid ge-
handeld. De laatste bescliouwing eindigt met de volgende alinea:
// Wanneer met de woorden mogelijk en noodzakelijk, of door
f! kunnen of mogen en moeten, een modaliteit van den zin wordt
// uitgedrukt, dan hebben zij een logischen zin, gelijk dit van
n de woorden waarschijnlijk, ontwijfelbaar en onfeilbaar zoo
//duidelijk is. Mogelijk beteekent dan incts anders dan denk-
nhaar of te denken, zooals misschien of waarschijnlijk dan
// zoo veol beteekent als denkelijk; terwijl onmogelijk in een lo-
// gische beteekenis hetzelfde is als ondenkbaar of niet denk-
t/baar, én met noodzakelijk niets anders bedoeld wordt, dan dat
//iets noodzakelijk zóó, en niet anders, te denkan is; dat het
//niet anders gedacht worden kan; dat het zóó, en niet anders,
n gedacht worden moet, daar het tegendeel ondenkbaar is. Een
//zin, waarin kunnen, m.ogen, moeten, of een dergelijk woord,
//niet zulk een logische, maar een physische of moreele betee-
//kenis heeft, is dan ook geen problematische of apodictische
// zin: bij voorbeeld, als njen zegt: Een pagagaai kan praten