Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
78,
doorstaan. "Wij kunnen toch niet denken, dat de heer roorda niet
zelf ingezien zou hebben, dat de problematische zin: //Misschien
//is het 'metaaV\ een hoofdzin zijnde, op zich zei ven staat, en
eigentlijk met den volgenden zin niets te maken heeft. Was hij de
protasis van den volgenden zin, d. i. drukte hij eene voorwaarde
uit, dan zou hij een lijzin moeten zijn, en als zoodanig eene
geheel andere constructie moeten hebben: Indien het misschien
metaal is. De zin: //dan is het smeUhaar'\ is ongetwijfeld
hypothetisch, maar de voorwaarde wordt niet door den voor-
gaanden zin: Misschien is het metaal, maar door het bijwoord
dan aangeduid. De beteekenis van dit dan moet wel is waar
uit den voorgaanden zin worden opgemaakt, maar de zin, die
de beteekenis van dan uitdrukt, zal assertorisch zijn: Indien
dit metaal is, en niet problematisch: Indien dit misschien of
mogelijk of waarschijnlijk metaal is. Het is dan ook volstrekt
niet waar, dat de protasis van eenen hypothetischen zin ooit
problematisch zou kunnen wezen. Wel ligt er een problemati-
sche zin in opgesloten, maar dit maakt de protasis evenmin
problematisch als elke andere assertorische of apodictische zin
zulks is, omdat men er misschien twee of drie problematische
zinnen uit kan opmaken.
Na de hypothetische zinnen behandelt de heer roorda de
// disjunctive stellingen" in plaats van er de categorische op te
laten volgen, die er het tegenovergestelde van zijn. Door de hy-
pothetische en categorische tegen elkander over te plaatsen, zou hij
beider natuur beter in het licht gesteld hebben. De beschrijving
der disjunctieve zinnen is ook alles behalve duidelijk: //In
//een twee- of meer-ledige problematische stelling, zooals Uw
//Iroeder of uw zuster heeft het mij gezegd; en Een zelfstan-
// dig naamwoord is bf van het mannelijk o f van het vrouwe-
//lijk of van het onzijdig geslacht; — in zulk een twee- of
//meer-ledige problematische stelling, die ook wel een rZ^yMree^jwe