Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
70,
van het andere. Zulke zinnen heeten disjunctieve of scheidende
zinnen, en het is duidelijk, dat die der tegenovergestelde soort
eonjunctieve of zamenvattende moeten heeten. Zamenvattende
zinnen zijn derhalve zinnen, waarin het geheele predicaat aan
het geheele subject wordt gekoppeld; disjunctieve de zoodanige,
waarin slechts één deel van het predicaat aan het geheele sub-
ject, of het geheele predicaat aan één deel van het subject ge-
koppeld wordt.
De zamenvattende oordeelen worden in de Logica wederom
in verschillende ondersoorten verdeeld. Indien het predicaat uit
meer dan één begrip bestaat, dan heet het oordeel conjunctief,
b. V.: Bie man is rijk, geleerd en deugdzaam. Bestaat het
subject van een oordeel uit meer dan ééne voorstelling, zoo
heet het bevestigende oordeel copulatief; is het oordeel
echter ontkennend, dan wordt het remotief gtnotva^, b. v.:
A, B en C zijn door de rechtbank schuldig verklaard. Noch
A, noch jB, noch C zijn vrijgesproken. Ook spreekt men in de
Logica nog van divisieve oordeelen, d.i. van oordeelen,waarin
het predicaat de soorten van het subject opgeeft, b. v.; Be
menschen zijn deels Heidenen, deels Joden, deels Christenen,
deels Mohammedanen. Voor het geval, waarin het subject en het
predicaat beide uit slechts ééne voorstelling bestaan: Be zon
gaat onder, heeft men tot nog toe geene afzonderlijke benaming
uitgedacht. Al die onderscheidingen hebben in de Logica hun nut;
doch de Logische Analyse kan, onzes inziens, volstaan met de
disjunctieve van de niet disjunctieve te onderscheiden, welke laat-
ste men dan gevoegelijk bij tegenstelling alle conjunctief (zamen-
vattend) zou kunnen noemen, met insluiting van de gevallen, waarin
het subject en het predicaat beide uit slechts ééne voorstelling
bestaan, en die dus letterlijk genomen niet zamenvattend of
conjunctief zijn.
De grondslag der verdeeling in eonjunctieve en disjunctieve
zinnen is blijkbaar wederom eene bijzondere wijze van koppe-