Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
56,
onderwerp, bf als het voorwerp, bf als eene bepaling voorkomt;
terwijl een hoofdzin met insluiting van zijne hijzinnen als een
op zich zelf bestaand geheel te beschouwen is. In den volzin
namelijk: Dat de vrede gesloten is, verweht algemeene llijd-
schap, is de bijzin: dat de vrede gesloten is, het onderwerp;
in: Alles zal misschien goedkooper worden, omdat de vrede ge-
sloten is, is hij eene bepaling. Van belang is het op te merken,
dat een bijzin natuurlijk nooit de koppeling, noch het gezegde
kan uitmaken. Soms schijnt het laatste wel het geval te zijn,
doch die schijn zal bij eene omzetting geheel verdwijnen; b. v.
wanneer men den zin: De reden, waarom hij het niet doet, is,
dat hij het niet kan, aldus verandert: Dat hij het niet
kan, is de reden, waarom hij het niet doet.
Daar bijzinnen steeds als bestanddeelen van andere zinnen
voorkomen, geen eigen bestaan hebben, leveren zij alleen in
verband met den hoofdzin eenen verstaanbaren zin op. Zoo be-
teekenen de uitdrukkingen: dien gij daar ziet, hoe hij het doet,
of hij eerlijk is, waar hij woont, zóó als zij daar staan, ei-
gentlijk niets; eerst dan, wanneer zij deelen van eenen volzin
worden, dat is in betrekking tot eenen hoofdzin komen, krij-
gen zij kracht en beteekenis: Kent gij den man, dien gij
daar ziet? Weet gij, hoe hij dat doet? Ik twijfel zeer,
of hij eerlijk is. Hij zal u wel zeggen, waar hij woont.
Daar het Nederlandsch aan de bijzinnen eene eigenaardige con-
structie geeft, zijn wij genoodzaakt eiken bijzin, wanneer wij
hem goed verstaan en beoordeelen willen, vooraf den vorm van
eenen hoofdzin te geven. Men zou kunnen zeggen: wij moeten
hem den vorm, waarin hij oorspronkelijk gedacht is, terugge-
ven. Het vervolg zal de noodzakelijkheid hiervan doen inzien.
Maar indien de hoofdzin de eigentlijke gedachte van den
spreker uitdrukt, en de bijzin daarbij eene ondergeschikte rol
speelt, zoo volgt, dat de hoedanigheid van eenen volzin en de
klasse, waartoe hij te brengen is, van den aard van Atn hoofd-