Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
53,
zinnen althans, in dezelfde wijs als de oordeelen, namelijk in
den indicativus.
Eer wij van de qualiteit der zinnen afstappen, moeten
wij nog een paar opmerkingen maken. Vooreerst, dat onechte
vragen niet, gelijk de echte, neutrale, maar positieve of ne-
gatieve zinnen zijn, en wel juist het omgekeerde van hetgeen
zij schijnen te wezen. Ten andere, dat het voorzindeel of de
protasis van hypothetische zinnen: Indien het weer slecht
is, blijf ik te huis, op zich zelf beschouwd neutraal,
noch positief, noch negatief is. De spreker zegt niet, dat het
weêr goed, noch dat het niet goed is; hij laat dit onbeslist.
Vandaar, dat zulk een voorzindeel den vorm van eene subje-
ctieve vraag kan aannemen: Is het weêr slecht, dan blijf
ik te huis. Doch beschouwd, gelijk het behoort, namelijk in
verband met het achterzindeel of de apodosis: dan blijf ik te
huis, is het voorzindeel: indien het weêr slecht is, positief,
vermits het te huis blijven van het werkelijk slechl zijn van
het weder wordt afhankelijk gesteld.
Na de beschouwing der positieve, negatieve en vragende zin-
nen behandelt de heer roorda, blz. 10—17, de problematische,
hypothetische, disjunctieve, categorische, assertorische en apo-
dictische zinnen, en wel in de volgorde, waarin wij ze hier
opnoemen. Er worden dus drie onderscheidene verdeelingen, op
drie verschillende grondslagen berustende, door elkander gehaald.
Dat deze bespotting van den grondregel der Logica: divisio ne
careat fundamento, of: unum sit fmdame^itum dïvisionis {elke
soortverdeeling moet op eenen grondslag berusten, of elke soort-
verdeeling moet op slechts éénen grondslag rusten), niet dan
tot groot nadeel van de duidelijkheid heeft plaats gehad, zal
men reeds vooraf beseffen. Eer wij echter tot deze beschouwing
kunnen overgaan, moeten wij van eene soortverdeeling der zin-
nen gewagen, waarvan de kennis voor het recht verstand van