Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
hebben, maar het inderdaad niet zijn, daar zij niet uit onwe-
tendheid of twijfel, maar uit de sterkste overtuiging voortsprui-
ten. Wanneer wij namelijk van de waarheid of onwaarheid van
iets zeker zijn, en een ander tegen beter weten aan het tegen-
deel beweert, dan geven wij dikwijls onze verontwaardiging
lucht door uitdrukkingen, die den vorm van subjectieve vragen
hebben. Heeft b. v. iemand, wien wij op een dreigend gevaar
gewezen hebben, onze waarschuwing in den wind geslagen,
ontkent hij haar vervolgens en beklaagt hij zich over ons stil-
zwijgen; of vergt iemand van ons hetgeen wij niet doen kunnen,
dan vragen wij met drift: Ileh ik u niet gewaarschuwd? Ben
ik almachtig? Blijkbaar zijn dit geene eigentlijke vragen; het
zijn de sterkst mogelijke bevestigingen of ontkenningen. Het
wezen der vraag ontbreekt hier; men verlangt niets te weten,
maar men wil den hoorder, hetzij luide, hetzij bij zich zelven,
de erkentenis der waarheid afpersen. Men geeft dus aan een
stellig beweren soms den vragenden vorm, ten einde zich ster-
ker uit te drukken, doordien men den hoorder dwingt de hem
voorgelegde vraag ten minste bij zich zelven te beantwoorden.
Wil men iets ontkennen, dan vraagt men schijnbaar posi-
tief: Heb ik u dat gezegd? Ben ik alwetend?, hetwelk zoo-
veel beteekent, als: Gij weet zelj wel, dat ik u dat niet ge-
zegd heb, dat ik niet alles weet. Wil men daarentegen iets
bevestigen, zoo geeft men aan zijne uitdrukkingen den ne-
gatieven vorm: Heb ik u niet gewaarschuwd? Heb ik u
dit niet verboden? d. i.: Gij weet zeer goed, dat ik u gewaar-
schuwd, dat ik u dit verboden heb. — Zulke uitdrukkingen,
waarvan de heer roorda verzuimd heeft melding te maken,
zou men wellicht niet ongepast schijnbare, oneigentlijke of
onechte vragen kunnen noemen. Wij hebben het noodzakelijk
geacht den lezer op deze zinnen opmerkzaam te maken, voor-
eerst omdat de koppeling er onder eenen eigenaardigen vorm in
is uitgedrukt, en zij dus eene bijzondere soort van zinnen uit-