Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
groot en woeilijh, een assertorisch categorisch positief oordeel,
ook wanneer men hem aldus omzet: Groot en moeilijk is zijne
taak.
Zien wij thans, hoe de zinnen ten opzichte van de koppeling
moeten geclassificeerd worden.
Het // eerste onderscheid van modaliteit" stelt onze Schrijver
in het verschil tusschen positieve en negatieve zinnen, eene
onderscheiding, die zooals wij boven, blz. 38, gezien hebben
op de natuur der koppeling gegrond is, en wel op hetgeen
men in de Logica de qualiteit der zinnen pleegt te noemen.
Een zin heet positief, wanneer de koppeling de beide voorstel-
lingen verbindt; negatief, wanneer zij ze scheid t.
Daarop komen de vragen ter sprake, doch tot onze groote
verwondering wordt hier van de zoo noodzakelijke onderschei-
ding van subjectieve en objectieve vragen, van interrogationes
en percontationes, volstrekt geene melding gemaakt. Tot de eerste
soort, de interrogationes, behooren dezulke, waarop met ja of
neen moet geantwoord worden: Schijnt de zon"^ Kom ik onge-
legen? Wanneer iemand zulk eene vraag doet, geschiedt zulks,
omdat hij onzeker is, of hij moet bevestigen of ontkennen.
Subjectieve vragen zijn dus noch positief noch negatief-,
zij maken, wat de qualiteit der zinnen betreft, eene derde
neutrale soort uit. De objectieve vragen echter, de percon-
tationes, zijn de zulke, die naar eenen persoon of zaak,
naar plaats, tijd, hoedanigheid, wijze of omstandigheid vra-
gen: Wat doet gij! Wie komt daaraan? Waar woont hij?
Wanneer zult gij vertrekken? Hoedanig is dat boek? Bij
zulke vragen bestaat geen twijfel ten opzichte der koppeling
van het subject en predicaat, aangaande de ontkenning of be-
vestiging; er bestaat alleen onkunde met betrekking tot eenen
term in den zin. Altijd ligt er een bevestigend of ontkennend
oordeel ten grondslag. Vraagt men: Wie klopt daar? Wat