Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
Wij hebben gezien, hoe onjuist en duister de opgave was van
hetgeen in het Eerste Hoofddeel moet behandeld worden, en
dit is alleen het gevolg van het ontkennen der koppeling.
Ware de heer roorda begonnen met eene goede verklaring van
den zin te geven, met duidelijk uiteen te zetten, wat men
door het onderwerp, het gezegde en de koppeling te verstaan
heeft, en aan te toonen, dat de natuur van den zin van het derde
bestanddeel afhangt, en dat dus de onderscheiding of classifi-
catie der zinnen geheel op de koppeling berust, zoo ware
daaruit van zelf voortgevloeid, dat het eerste hoofddeel voorna-
melijk van de koppeling en hare verschillende wijzigingen en Ie-
trekkingen heeft te handelen. De lezer had dan terstond gewe-
ten hetgeen hij thans eerst na de lezing van het eerste hoofddeel
zelf zal moeten opmaken, namelijk wat schrijver door nwijze
van uitdrukking'''' verstaat. Weet de lezer echter, dat de koppeling
eene werkzaamheid van den denkenden geest is, gericht op de
beide voorstellingen, die het subject en het predicaat uitma-
ken, dan ziet hij bij de eerste aanwijzing in, dat de koppe-
ling twee zijden ter beschouwing aanbiedt, namelijk hare
betrekking tot den denkenden geest of ons ik, en hare werking
op de beide voorstellingen. Wij hebben reeds in een paar voor-
beelden gezien, dat de koppeling op het subject en predicaat op
onderscheidene wijzen werkt, ze nu verbindt, dan scheidt, en
dus eenen grondslag van verdeeling oplevert; het vervolg zal
leeren, dat ook hare verhouding tot het denkvermogen ver-
schillend is, en evenzeer tot eene onderscheiding der zinnen
aanleiding geeft. Nu eens toch is zij het zuivere resultaat van
waarnemen en denken, dan komt het begeeren mede in het
spel; nu eens komt zij voor als eene oorspronkelijke vrije
werkzaamheid van den geest, dan eens als eene herhaling
van eene vroegere.
Wij meenen derhalve den inhoud van de Eerste Afdeeling
aldus te moeten omschrijven: Het eerste werk bij de ontleding