Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
eet), zoo is het aanneraelijk, dat de bindvocaal meer om phone-
tische dan om logische redenen aanwezig is, met anderewoorden,
dat zij eer voor de welluidendheid of het gemak in de uitspraak
schijnt ingevoegd, dan wel om copula of teehen van koppeling
te zijn. Dat echter de wijze, waarop de pronominale wortels,
hetzij dan onmiddellijk, hetzij met behulp van eene vocaal,
achter den verbalen wortel worden aangehecht, niet zonder be-
teekenis is, blijkt daaruit, dat sommige wijzigingen der kop-
peling juist door veranderingen of versterkingen der bind-
vocaal aangeduid worden; men vergelijke b. v. tud-d-mi (ik
sla) met Uid-êya-m (ik sla of moge slaan), hind-i-th (gij
bindt) met hind-ai-s (gij bindet of moogt binden), leg-i-t (hij
leest) met leg-a-t (hij leze). In de werkwoorden, waarin de
bindvocaal in den indicativus ontbreekt, wordt zij in de
gevallen, waarin zij verandering moet ondergaan, wel degelijk
ingelascht, gelijk blijkt bij eene vergelijking van fer-a-l (hij
drage) met fer-t (hij draagt), van fór-ei-s (gij mocht varen)
met for-t (gij voert). Wijzen deze veranderingen en inlasschin-
gen, die noch den persoonsuitgang, dat is het subject, noch
den wortel des werkvvoords, dat is het predicaat, aandoen,
maar tusschen deze beide plaats hebben, en de verbinding be-
treften, niet ten duidelijkste op den derden actus in de gedach-
tevorming ? en wordt het bestaan van dezen actus niet daardoor
bevestigd en geheel buiten kijf gesteld ?
Uit het aangevoerde volgt, dat indien het onderwerp door
een substantief of door een afzonderlijk pronomen uitgedrukt
wordt, dit subject eigentlijk door ieder dezer woorden afzonder-
lijk en onafhankelijk van elkander wordt vertegenwoordigd. Zoo
wordt het in de zinnen: J)e hond foojo-^, en;//y tweemaal
aangeduid: eerst door de hond en hij, en nogmaals door den
pronominalen wortel t. Het substantief hond en het pronomen
hij zijn dus slechts appositieve bepalingen, nadere verklaringen
van het eigentlijke subject t. Van daar, dat de voornaamwoor-