Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
aanraking tusschen onze ziel, ons ih, en de gedachte uitmaakt.
De voorstellingen van het onderwerp en het gezegde zijn wel
is waar evenzeer werkingen of producten van ons denkvermo-
gen, maar de stof daartoe is iets uiterlijks, door de buiten-
wereld geleverd. De geest is daarom bij de vorming der voor-
stellingen niet volkomen vrij, maar gedwongen aan de eene
voorstelling dezen, aan de andere eenen anderen bepaalden
vorm te geven. Die voorstellingen zijn en blijven dus voor den
geest iets vreemds, iets uiterlijks; zij zijn altijd objecten of
voorwerpen buiten zijn ih, die slechts aan het zieleoog worden
voorgehouden. Met de koppeling echter is het anders gesteld.
Deze is eene meer vrije werking van den geest, van ons ik.
Somtijds wordt zij wel door de buitenwereld bepaald, en is dan
natuurlijk ook niet vrij, b. v. wanneer wij over eene waarneming
oordeelen: Be kagchel staat gloeijend. Het slaat twaalf uren.
Maar in menig geval verbinden of scheiden wij voorstellingen
van personen of dingen, van hoedanigheden of werkingen, die in de
werkelijkheid niet verbonden of gescheiden zijn, b. v. wanneer
wij zeggen: Indien hij ziek was, zou hij niet wandelen. Was
hij niet gierig, hij zou wel wat geven. Wees voorzichtiger.
Wees niet zoo openhartig. — De koppeling behoort dus ge-
heel en al aan ons ik. Zij is als het ware de hand, waarmede
ons ik de gedachte vormt en vasthoudt om haar te kunnen
beschouwen. De gedachte is voor ons ik slechts datgene, wat
de koppeling van haar maakt, nu eens een bevestigend, dan
eens een ontkennend oordeel; nu eens eene vraag of eene wil-
lekeurige onderstelling van iets, dat niet is; een andermaal
een wensch, een verzoek of een bevel. Hieruit volgt, dat de
koppeling den aard der gedachte bepaalt, en de soort aanwijst,
waartoe de zin behoort, die de gedachte uitdrukt.
Is het onloochenbaar, dat eene gedachte uit drie elementen
bestaat, en dat de koppeling er een noodwendig bestanddeel van
uitmaakt, evenzeer is het waar, dat dit derde bestanddeel ia