Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
vormveranderingen, die sommige hwoorden", de verba namelijk
ondergaan. De boven opgevene formule wordt dus :
Beteek. v. d. zin =: (Woorden — Modusveranderingen) x
(Constructie -j- Toon + Modusveranderingen).
Maar ook dit is Schrijvers bedoeling nog niet. Sommige der
door hem vermelde soorten van zinnen vereischen wel degelijk
het gebruik van bijzondere //woorden!', die in andere soorten
nooit gevonden worden, b. v. de negatieve, de problematische,
de apodictische en andere. Er zijn dus zinsonderscheidingen,
die wel degelijk op het gebruik van //woorden!', namelijk van
modale verba en adverbia gegrond zijn. De formule moet dus
nogmaals worden veranderd in de volgende:
Beteek. v. d. zin = [Woorden — (Modale woorden +
Modusveranderingen)] x (Constructie + Toon + Modale woor-
den Modusveranderingenj.
Of een leerling of zelfs een jeugdig onderwijzer van zeiven
op de gedachte komen zal om de modale verba en adverbia
niet onder de //woorden!' te rekenen en ook nog den modus-
vorm van het werkwoord te abstraheren en bij //de wijze van
//uitdrukking" te tellen, terwijl daarentegen de andere vormver-
anderingen der woorden, als de declinatie der nomina en de
tijds- en persoonsveranderingen der verba, tot den eersten fa-
ctor blijven behooren, meenen wij in twijfel te mogen trekken.
En van waar, zal waarschijnlijk menigeen vragen, die duis-
terheid en verwarring, zoo ontmoedigend voor den lezer, vooral
in een geschrift over een vak van wetenschap, welks beoefe-
ning nog al inspanning van den geest vordert ? Zij heeft voor-
eerst daarin haren oorsprong, dat Schrijver geene verklaring-
geeft van eene gedachte, en dat hij hare drie elementen.