Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
neer iemand zijne gedachten duidelijk uiteenzet, zeggen wij
nooit: Ik voel, wat gij zeggen wilt, hetwelk altijd te kennen
geeft, dat de spreker iets zoekt te verbergen, of dat hij zich
slechts gebrekkig weet te uiten. Het verstaan van eene uit-
drukking bestaat niet in een duister gevoel, maar daarin, dat
men aan die uitdrukking dezelfde voorstellingen verbindt, die
den spreker of schrijver bij het bezigen der uitdrukking voor den
geest stonden. De beste definitie van eenen zin is, onzes inziens
door Dr. h. steintjiai. gegeven, in zijn geschrift Grammatik
Logik und Psychologie, Hz. 337. Daar zegt hij: nder Satz ist
nnur eine besondere Anschauungsweise des ürtheils (de stel-
//ling is slechts eene bijzondere wijze van een oordeel te be-
// schouwen)". Past men dit op alle soorten van gedachten toe , zoo
zal de bepaling van eenen zin nagenoeg hierop neerkomen: Een
zin is de uitdrukking^ van eene gedachte, op eene bijzondere
wijze beschouwd — of: van eene bijzondere opvatting eener
gedachte. Het betoog van de juistheid dezer bepaling kan hier
niet geleverd worden; wij willen dit liever voor eene andere
gelegenheid besparen. Het zij hier genoeg den lezer te doen op-
merken, dat men doorgaans meer denkt, dan men zegt, en dat
• men dezelfde grondgedachte veelal ook door andere woorden
en onder eenen anderen vorm zou kunnen uitdrukken. De zoo
even behandelde zinnen zijn er voorbeelden van. Maar kan men
ter uitdrukking eener gedachte meer en andere woorden bezigen,
dan moeten de gebezigde woorden — d. i. de zin — slechts
eene gedeeltelijke en bijzondere opvatting der gedachte uitdruk-
ken. Hieruit volgt echter volstrekt niet, dat het onverschillig
is, hoe men eene gedachte opvat, van welke zijde men
haar te beschouwen geeft, d. i. in welke woorden en in welken
vorm men ze giet; dit wordt door de omstandigheden en door
onze bedoeling bepaald. Later, b. v. bij het behandelen van den
conditionalis, zullen wij genoeg in de gelegenheid komen
om dit op te merken. Een goeden stijl hebben is eigentlijk