Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
gemakkelijk is af te leiden. Vervolgens vergelijkt hij het den-
hen en sprehen met elkander: //het denhen is innerlijk of bij
//zich zelf spreken, het spreken is luide of hardop denken."
Hetzelfde-zegt heyse, blz. 40: //Das Sprechen ist das laut ge-
// wordene, in die Erscheinung tretende Denken, das Denken ein
//innerliches Sprechen." Ofschoon deze vergelijking, vroeger ook
door BECKER en andere taalkundigen gemaakt, zeker wel geene de-
finitie mag heeten, en ook op verre na niet juist is, zoo plaatst zij
toch den gewonen lezer of den leerling onzes inziens op een stand-
punt, van waar hij het spreken en denhen bij de redeontleding
veilig beschouwen kan, zonder gevaar te loopen van zich veel
verkeerde voorstellingen te maken. Inderdaad, tot op zekere
hoogte is denken en spreken één, niet voor den Physioloog, Psy-
choloog noch Stilist, maar voor den Grammaticus. Het is der-
halve bevreemdend, dat de heer roorda deze zijne zienswijze
nagenoeg in denzelfden adem, waarin hij haar heeft uitgesproken,
weder verloochent. Immers volgens blz. 4 is eene rede, en vol-
gens blz. 7 en 8 een volzin // de uitdrukking van den" zin van
//iemands gedachten". Deze definitiën toch zijn in strijd met de
zoo even vermelde beschouwing van sprehen. Is spreken luide den-
ken, dan zijn eene rede en een volzin niet slechts uitdrukkingen
van den zin der gedachten, maar van de gedachten zelve; een
volzin is dan eene hoorbare gedachte. In zoo verre de zin eener
gedachte in de gedachte zelve opgesloten ligt, er de kern van
uitmaakt, in zoo verre zal zeker ook de volzin de uitdrukking
van den zin der gedachte zijn. Maar indien de gedachte, de
aaneenschakeling van voorstellingen, geenen zin, geene beteeke-
nis heeft, zal ook de volzin, de hoorbaar gewordene gedachte,
geene uitdruhhing van eenen zin wezen, geenen zin, geene be-
teekenis hebben. Wij keuren de gegevene bepaling des te sterker
af, vooreerst omdat men met recht zeggen kan, dat er zinnen
zijn, die den zin der gedachte niet uitdruhhen, welke dien wel te
verstaan geven, maar niet uitdruhhelijh in woorden vermelden.