Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
woorden niet al licht de strekking hebben om den taalonder-
wijzer voor die verdeeling ongunstig te stemmen , met het ge-
volg, dat hij ze zijne aandacht naauwelijks waardig keurt, en
bij het onderwijs, bf in het geheel geene melding van haar
maakt, als gevaarlijk voor jeugdige verstanden, bf ze ten min-
ste niet behandelt met de zorg en belangstelling, die zij inder-
daad verdient. Wij erkennen gaarne, dat die verdeeling, zoo
als zij nu pleegt te geschieden, niet geheel logisch en voor
veel verbeteringen vatbaar is, en geven toe, dat zij tot onjuiste
voorstellingen aanleiding kan geven; maar zij is en blijft even-
wel van het hoogste belang, omdat zij bij de taalbeoefening
volstrekt onmisbaar is. Waartoe toch dient de soortverdeeling
in eene wetenschap? Immers om de natuur der dingen, die het
voorwerp der wetenschap uitmaken, des te gemakkelijker te
leeren kennen. In plaats van elk ding, een voor een, afzonder-
derlijk te beschouwen, van ieder in het bijzonder den aard en
de eigenschappen te beschrijven — wat veelal geheel ondoenlijk
zijn zou — brengt zij alle voorwerpen, die dezelfde natuur
hebben, onder één gezichtspunt, en geeft op, wat ze kenmerkt,
en welke hoedanigheden ze alle bezitten. De Grammatica b. v.
in stede van ieder substantief in het bijzonder te behandelen,
ieders gebruik in de rede, de vormveranderingen, waarvoor
het vatbaar is, en andere eigenschappen te vermelden, doet
zulks in eens voor al de duizenden woorden, die substantieven
heeten. Zij handelt dus doende op eenmaal af, wat zij zonder
soortverdeeling duizend en duizend malen zou moeten herhalen.
Alleen door deze handelwijze wordt zij, en iedere andere weten-
schap, mogelijk. Eene goede soortverdeeling is dus volstrekt on-
misbaar en eene zaak van het uiterste gewicht.
W^ij beweren volstrekt niet, dat de heer koorda de zaak an-
ders inziet; het kan zeer goed zijn, dat hij alleen om het ge-
brekkige, dat de bestaande verdeeling aankleeft, zich ongun-
stig over haar uitlaat, en ze schijnt te veroordeelen. Wij zou-