Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
126,
eene der paragraphen, waarin hij over de natuur der taal in
het algemeen spreekt, en dus een geheel ander doel dan wij
voor oogen heeft, zoo blijkt er toch duidelijk genoeg uit, dat
hij geene wel geformuleerde zinnen als uitdrukkingen van het
gevoel erkent, maar alle zoodanige tot de taal des verstands,
tot de uitingen van het denkvermogen brengt.
Maar bestaan er dan in de taal behalve de tusschenwerpsels
van gevoel volstrekt geene uitdrukkingen, die men met eenig recht
als uitdrukkingen van het gevoel beschouwen kan? Wij ant-
woorden ja, indien er nog andere uitdrukkingen bestaan, die geene
volkomene gedachten bevatten, en de duidelijke blijken dragen,
dat het den spreker nog niet gelukt is, zijn gevoel tot eene klare
voorstelling te brengen en er een gepast woord voor te vinden.
//Onuitspreekbaar," zegt heyse, //is hetgeen nog niet in eene
//gedachte gevat is, hetzij omdat het voor het denkvermogen te
//hoog is,Aeizij omdat het als een bloot gevoel voor de gedachte
// te diep ligt" En heeft dit niet telkens eenigermate plaats , wan-
neer wij ons gevoel uiten in uitroepingen in den vorm van vragen?
Vragen zijn immers uitdrukkingen van onvolledige gedachten,
waarin het eene of andere lid, de eene of andere term onbekend is.
Nu gebeurt het dikwijls genoeg, dat wij wel voor de soort van
ons gevoel een woord hebben gevonden, maar voor de sterkte
van bet gevoel of van de hoedanigheid van het waargenomen
voorwerp, diB het gevoel in ons veroorzaakt, geene uitdrukking
kunnen bedenken. Wij hebben dan de gedachtevorming wel ge-
deeltelijk, maar juist ten gevolge van ons gevoel niet geheel kunnen
volbrengen; de uitdrukking wordt daarom wel een zin, doch een
on volkomene, in den vorm eener vraag, zonder daarom eene eigent-
lijke vraag te zijn, dewijl wij geen antwoord verwachten of verlan-
gen. Uitroepingen als: Wat een pijn! Wat ben ik ongelukkig!
Wat is dat mes scherp! Wat kan dat beest bijten! Welk eene
vermetelheid! Wat een monster! Welk een onzin! Hoe heer-
lijk is het hier builen! behooren daarom met recht tot de uit-