Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
123,
gen tot het gevoelvermogen te brengen zyn. Hierbij missen wij
datgene, wat ons vorig onderzoek a posteriori bevestigde, en be-
wees, dat wij goed gezien en verdeeld hadden. Wij zagen name-
lijk, dat de taal zelve onderscheid maakt tusschen de uitdruk-
kingen van het denk- en die van het begeervermogen, door in
iedere soort aan het werkwoord bijzondere vormen te geven. Zoo
vonden wij den indicativus ^tx cogitativus'm oordeelen eu vragen,
in uitdrukkingen, die het kennen of weten ten doel hebben,
en dus tot de eerste soort behooren; den imperativus en optativus
troffen wij aan in zinnen, die de verwezentlijking, niet
het kennen, der werkelijkheid beoogen, en daarom tot de
tweede soort te brengen zijn. Bestonden er gedachten, wier na-
tuur halfslachtig was, de taal had reeds uitspraak gedaan en haar
door den vorm des werkwoords eene plaats aangewezen, zij had
ons de moeite van verder onderzoek bespaard en ons voor willekeur
behoed. Zulk eene beslissende uitspraak schijnen wij bij het on-
derscheiden der uitdrukkingen, die tot het gevoel te brengen
zijn, geheel te missen. Wij hebben in alle tot hier toe be-
schouwde uitdrukkingen slechts vier verschillende modi of
wijzen aangetroffen; doch voor uitdrukkingen van het gevoel
vinden wij nergens eenen afzonderlijken modus, noch in onze
taal, noch in eenige andere Indo Germaansche, en wij twijfe-
len, of zulks wel in eenige taal ter wereld plaats heeft. Zou
dit niet een bewijs zijn, dat de taal — de onze althans —
geene zinnen uitsluitend als uitdrukkingen van het gevoel er-
kent? En kan zij, wel beschouwd, zulks wel doen? Zinnen zijn
uitdrukkingen van gedachten, van verbindingen van ten minste
twee voorstellingen. Drukken wij ons eigen gevoel, het moge
in het ligchaam of in de ziel huisvesten, in eenen zin uit, dan moet
het ons gelukt zijn onze gewaarwording, even als elke andere
waarneming, te ontleden, ons gevoel van ons eigen ih te schei-
den , beide ons afzonderlijk voor te stellen en weder tot ééne voor-
stelling te vereenigen. Doen wij zulks, dan brengen wij ons gevoel,