Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
121,
van den optativus beschouwd worden, namelijk in de aan onze
taal, voor zoo ver wij weten, uitsluitend eigene constructie: Zaa^
ih, laai hij, laten wij, laten zij dit doen. In den eersten per-
soon strekt het ter vorming van die wijze van uitdrukking, die
Dr. n. kühner in zijne Griechische Grammatih den conjuncti-
vus adhortativus, en Prof. roorda '/de voorstellende (of de
propositive) wijze van spreken" noemt, en die gebezigd wordt,
wanneer men zich zeiven, anderen, of anderen met zich iets
voorstelt om te doen. In het eerste en derde geval bezigt men
laten: Laat ih eens zien. Laat ih het maar doen. Laten wij
liever eens gaan wandelen', in het tweede geval gebruikt men
den vorm van den imperativus: Ga liever eens wandelen.
Verkrijgen eenige indicatieve zinnen, zoo als wij boven
gezien hebben, in sommige gevallen de beteekenis van opta-
tieven of imperatieven, het omgekeerde heeft plaats bij de
concessieve of toegevende (niet toelatende) zinnen, vermits daarbij
van geene verwezentlijking der gedachte sprake is, maar de wer-
kelijkheid ter zijde gezet wordt. Men bezigt namelijk eenen toe-
gevenden of concessieven zin, wanneer men te kennen geeft,
dat eene gedachte, zij moge op waarheid gegrond zijn of niet,
in het voorkomende geval niets af- of toedoet, en dus geheel
onverschillig is. De spreker laat de gedachte voor hetgeen zij
is, hij erkent noch ontkent haar, maar hij ontkent stilzwijgend
de gevolgen, die men er uit zou willen trekken, b. v.: AeÄ-
he, zoo als gij beweert, die fout begaan, daarom is hij nog
geen overgegeven booswicht. Bij zij zoo braaf, als gij wilt,
deze daad verdient afheuring. Hij moge doen, wat hij wil,
dit zal hij niet hunnen verhinderen. Zij zwijgt voor niemand,
wie het ooh zij. Zulke zinnen behooren naar '/den zin" onge-
twijfeld tot de producten van het denkvermogen, maar de derde
actus in de gedachtevorming verschilt toch van de wijze van
koppelen in de gewone oordeelen. Er heeft hier inderdaad eene
toelating plaats, niet om eene gedachte te verwezentlijken, zoo