Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
118,
te sterker af, omdat zij het onderscheid tusschen toelatingen en
hevelen aan de eene en assertorische oordeelen van zedelijke
noodzakelijkheid of mogelijkheid aan de andere zijde zoo al niet
volstrekt opheft, dan toch geheel van subjectieve opvatting afhanke-
lijk maakt en zoo doende op losse schroeven stelt. De vergelijking
van een paar voorbeelden zal dit duidelijk maken. De Tim.-. Men
moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen, zal wel
door iedereen voor eenen grondregel van zedelijkheid, voor een
oordeel van moreele noodzakelijkheid, worden aangezien; terwijl
volgens den heer roorda // Gij mo et zwijgen. Hij moet dat
laten" en dus waarschijnlijk ook wel: Gij moet Gode meer
gehoorzaam zijn dan den menschen, in den jussief of de
hevelende wijs staan. Waarin kan nu het groote onderscheid
liggen? Waarom is de eerste zin als een oordeel en zijn
de laatste als hevelen aan te merken? Wij zouden meenen
omdat de uitdrukking: Men moet Gode enz., een algemeen
voorschrift is, terwijl: Gij moet zwijgen. Gij moet Gode
enz., tot bijzondere personen gericht zijn. De heer roorda schijnt
echter het onderscheid niet daarin te stellen; want hoe zal men
het dan maken met de uitdrukkingen: n Men moet niet zeg-
gen. Men moet mij wel verstaaft', die de heer roorda insge-
lijks tot den jussief brengt? Zijn deze niet even algemeen? In
dezelfde moeilijkheid komt men met mogen. Indien men aan-
gevallen wordt, mag men zich verdedigen, zal wel een oordeel
van zedelijke mogelijkheid zijn; terwijl: Hij mag dat doen,
door den heer roorda (blz. 40) eene inwilliging genoemd en
tot de uitdrukkingen van het begeervermogen gebracht wordt.
Ofschoon mogen in den indicativus nooit als een hulpwerk-
woord voor de uitdrukking van den optativus en cogitativus
mag beschouwd worden, zoo is het zulks toch dikwijls, als het
zelf den vorm van den optativus of cogitativus heeft, want dan
dient het meestal slechts ter plaatsvervanging van de thans
minder kenbare optatieve of cogitatieve vormen van het hoofd-