Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
117,
dit nimmer ondervinden. Mocht gij nog eenmaal tot dien post
geroepen morden. Mogen wij dit nimmer vergeten.
Wij hebben boven, blz. 140, aangetoond, dat assertorische
oordeelen, die moreele mogelijkheid of noodzakelijkheid uitdruk-
ken, als: Hij mag — of h an doen, wat hij wil. Men woet
niet zeggen, dat enz. Gij moet niet denhen, dat enz., niet tot
de uitdrukkingen van het begeervermogen behooren. Daarmede
hebben wij niet willen ontkennen, dat zij dezelfde strekking
kunnen hebben als de uitdrukkingen: Hij doe, wat hij wil.
Men zegge niet, dat enz Benh niet, dat enz. Wanneer men
iemand de geoorloofdheid of ongeoorloofdheid van iets voorhoudt,
heeft zulks lichtelijk de uitwerking, dat hij het doet of nalaat,
en dan bekleeden zulke oordeelen in den Indicativus blijkbaar
de plaats van zinnen i)i den Optativus of Imperativus, en worden
daarom ook wel met dezelfde bedoeling gebezigd.
Sommige talen hebben in uitdrukkingen van dezen aard en
strekking een afzonderlijken vorm van het werkwoord ontwik-
keld. De zoogenoemde versterkte vorm van den imperativus in
het Latijn, b. v.: amato (gij moet beminnen), amato (hij moet
beminnen), amanto (zij moeten beminnen), stelt eene handeling
voor als eene zedelijke verplichting, geuit met het doel om de
vervulling te veroorzaken. Zulke uitdrukkingen zijn oordee-
len van zedelijke noodzahelijhheid en te gelijk hevelen, en
maken onzes inziens eene afzonderlijke soort van zinnen uit,
die van de boven (blz. 113) beschreven imperatieven verschil-
len. Wil men ze evenwel imperatieven noemen, dan moét men in
de talen, die dezen vorm bezitten, ook een derden persoon in
den imperativus erkennen, dewijl eene wet of gebod zich ook verder
kan uitstrekken dan tot dengene, aan wien het woord gericht is.
Uit hetgeen wij daar beweerden, volgt, dat wij de werkwoorden
moeten en mogen, wanneer dit laatste in den Indicativus staat, niet
als hulp- of modale werkwoorden voor de gebiedende of wenschende
wijze erkennen. Wij keuren de tegenovergestelde zienswijze daarom