Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
115,
gericht zijn tot dengene, van wien de verwezentlijking verwacht
wordt; zij worden daarom ook in den regel niet geuit met het
doel om zulks te veroorzaken. Er kannen echter gevallen plaats
hebben, dat wij ze uitspreken ten aanhooren van hen, die de
vervulling onzer wenschen in handen hebben, in de hoop van
hen daardoor tot het volbrengen van ons verlangen te bewegen;
doch men gevoelt, dat dit slechts eene bijomstandigheid is, die
het wezen der uitdrukking niet verandert.
Er zijn twee soorten van optatieve zinnen, die ook aan den
vorm des werkwoords kunnen onderkend worden. Ziet men de
waarschijnlijkheid of slechts de mogelijkheid der vervulling van
eenen wensch in, dan bezigt men den tegenwoordigen tijd van den
Suhjunctivus of Opiativus'. Be Heere zeg ene en behoeden
Be Hemel verhoede zulks. Leve de Koning! Doch heeft
men geene of geringe hoop op de verwezentlijking van zijnen
wensch, is zij bf onmogelijk bf althans onwaarschijnlijk, wordt
de werkelijkheid als het ware geheel ter zijde gesteld, dan bezigt
men den zoogenoemden onvolmaakt verleden tijd der aanvoe-
gende wijs, dien wij boven (blz. 87) als den eersten tijd van
den Cogitativus hebben leeren kennen: Gave God zulks. M ocht
ik dien dag nog eens beleven. Och! leefde hij nog, mocht
ik hem nog eenmaal zien.
Even als de imperatieve ziimen dienen moeten om voorschrif-
ten, raadgevingen en toelatingen uit te drukken, ook van het-
geen men juist niet wenscht, zoo ook de optatieve: Men
neme aluin, losse dien op, enz. Hij ga zelf tot hem, en
vrage hem te spreken. Hij doe, wat goed is in zijne oogen.
Hij ga zijnen gang.
Bevelende, verzoekende en wenschende zinnen zijn werkelijk
uitdrukkingen van den wil of de begeerte des sprekers, zelfs
toelatingen kunnen er toe gerekend worden, vermits zij evenzeer op
den wil betrekking hebben; maar aan voorschriften en raadge-
vingen heeft de wil van den spreker geen deel. Zij zijn eigentlijk