Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
113,
uiten met het doel om te bewerken, dat men niet zegge, dat
men wel versta, dat men zwijge, of doe, wat men wil; dit zijn
gedachten, die achter de uitgedrukte gedachten liggen, en waar-
mede men in de Analyse niet te maken heeft. Zulke zinnen
missen dus het karakter der uitdrukkingen van het begeerver-
mogen, maar bezitten in allen deele dat van assertorische oor-
deelen, die moreele noodzakelijkheid of mogelijkheid te kennen
geven, en behooren daarom tot de uitdrukkingen van het denk-
vermogen.
De uitdrukkingen van het begeeren en willen moeten tot
twee hoofdsoorten gebracht worden, die ieder weder hare onder-
soorten hebben. De uitdrukking namelijk is bf gericht tot den-
gene zei ven, van wien de verwezentlijking der gedachte
verwacht wordt, en geschiedt dan met het doel om de verwe-
zentlijking te bewerken; bf zij is gericht tot een ander, van
wien men de verwezenlijking niet verlangt, terwijl dan ook
meestal het oogmerk om de verwezentlijking door de uiting te
veroorzaken geheel ontbreekt. In het eerste geval heeft het
werkwoord dien vorm, welken men den Modus Imperativus
of de Gebiedende Wijs noemt, waarom men de zinnen, die tot
de eerste soort behooren, gevoegelijk imperatieve al gebiedende
zinnen, zinnen in den imperativus noemen kan. In het tweede
geval heeft het werkwoord eenen dier vormen, dien men voor-
heen den Modus Subjunctivus of Conjunctivus, of de Aanvoe
gende Wijs noemde; benamingen, die voor dit geval volstrekt
niet passen, waarom wij die vormen liever onder den naam van
Modus Optativus of Wetisc/iende Wijs zullen zaïnenvatten.
Een zin in den Imperativus drukt derhalve, streng genomen
eene gedachte uit, niet met de werkelijkheid overeenkomende,
maar die men wenscht verwezentlijkt te zien en wel door den-
gene, tot wien hij gericht wordt; b. v.: Luister eens. Leen
mij even uw pennemes. Hieruit volgt, dat de Imperativus, zoo
als hij hier gedefinieerd is, geen derden persoon kau hebben.