Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
112,
het wenscht gebracht te zien, bf de hoedanigheid, die men
verlangt dat het bezitten zal, zoo als b. v. in de zinnen: Reilt
{gij verzwegen onderwerp) mij dat hoeh eens aan. Hij zij zoo
gelukkig, als hij verdient.
Maar nu is liet ook niet moeilijk in te zien, dat de vragen
niet tot de uitdrukkingen van het begeervermogen zijn te bren-
gen. Vragen zijn, zoo als wij blz. 52 gezien hebben, onvolko-
mene oordeelen, waarin het eene of andere lid den vrager geheel
of gedeeltelijk onbekend is, en door hem geuit met het ver-
langen om het onbekende te weten te komen. Het
verlangen van den spreker bestaat dus in iets te willen
weten, niet in de verwezentlijking der gedachte, die
in de vraag onvolkomen is uitgedrukt, hetgeen immers juist
het kenmerkende der uitdrukkingen van het begeervermogen
uitmaakt.
Er is nog eene soort van zinnen, die de heer eooeda tot
de uitdrukkingen van het begeervermogen rekent, en die wij
op dezelfde gronden naar elders moeten verwijzen. Ik bedoel
die zinnen, welke volgens den heer eooeda, in //denjussief
//staan uitgedrukt door de woorden moeten en mogen!\ b. v.:
"Men moet niet zeggen, dat dit louter toeval was. Men
"moet mij wel verstaan. Gij moet zwijgen. Hij mag — of
"kan doen wat hij wil', ik zal er mij niet aan storen" Mo-
gen en kunnen drukken hier moreele mogelijkheid en noodza-
kelijkheid uit, en zijn de hoofdwoorden van de gezegden: moe-
ten zeggen, wel verstaan moeten, moeten zwijgen, mogen doen,
kunnen doen. Nu wordt hier niet verlangd oftoegestaan;
dat deze gezegden aan de onderwerpen al of niet zullen toekomen;
men eischt niet, dat men niet moet zeggen, men wel ver-
staan moet, dat men moet zwijgen, enz.; men verklaart, dat
die verplichtingen reeds bestaan. Zulke zinnen bevatten derhalve
geene gedachten, die nog niet met de werkelijkheid overeenko-
men, en wier verwezentlijking gewenscht wordt. Men moge ze