Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
123,
niet, aan de werkelijkheid beantwoorden; zij bevatten dus geene
werkelijkheid. Logische mogelijkheid drukken zij wel niet uit,
maar onderstellen die toch: immers, wat men zich niet voor-
stellen kan, dat verlangt men ook niet. Logische noodzakelijk-
heid daarentegen geven zij niet te kennen. Want naar hetgeen
noodwendig waar is, behoeft niet meer verlangd te worden, het
bestaat reeds of heeft reeds plaats.
Verschillen de uitdrukkingen van het begeervermogen we-
zentlijk van de zinnen in den Indicativus, die altijd werkelijk-
heid of logische mogelijkheid of noodzakelijkheid uitdrukken,
niet minder duidelijk onderscheiden zij zich van de zinnen in
den Cogitativus. Die der laatstgenoemde soort komen insgelijks
niet, of ten minste zelden, met de werkelijkheid overeen, maar
zij bekommeren zich ook niet om de werkelijkheid, omdat zij
hun onverschillig is. Voor de uitdrukkingen van het begeerver-
mogen daarentegen is de werkelijkheid geenszins eene onverschil-
lige zaak; eene der beide hoofdsoorten, de imperatieve, wordt
juist gebezigd om de verwezentlijking der gedachte te bewerken.
Wanneer b. v. men zegt: Wees voorzichtig. Let op. Kom eens
hier, dan spreekt men met het doel om te bewerken, dat de
aangesproken persoon voorzichtig zij, oplette of bij ons kome.
Thans weten wij genoeg van de natuur der uitdrukkingen
van het begeervermogen, om ze overal te kunnen onderkennen.
De zinnen, die er toe te brengen zijn, komen namelijk alle
daarin overeen, dat zij, in hun geheel genomen, eene
gedachte uitdrukken, die men verwezentlijkt wil
zien. Het gezegde moet niet de wijze van begeeren te kennen
geven door middel van een werkwoord, hetwelk de vermelding
der begeerde zaak als complement of aanvulling bij zich heeft,
zoo als in de zinnen: Ik wil uitgaan. Ik verlang naar rust.
Zulke zinnen bevatten oordeelen, en behooren tot het denkver-
mogen. Het gezegde moet bf de handeling uitdrukken, die men
van het onderwerp begeert, bf den toestand, waarin men