Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
110,
wijze geschiedt als in de zinnen: Wij zien in de verte een
schip. Wij weten, dat hij hersteld is.
In de tweede plaats is het van veel belang op te merken,
dat het denk-, gevoel- en begeervermogen niet drie op zich
zelve staande, van elkander afgescheiden vermogens der ziel
zijn. Het gevoel vergezelt eene waarneming of volgt er op; en
om te begeeren moet men den begeerden toestand hebben leeren
kennen: zonder dat werkt slechts het dierlijke instinct. Deze
laatste opmerking brengt ons op het standpunt, waaruit wij de
uitdrukkingen van het begeervermogen moeten beschouwen om
hun wezentlijk kenmerk te ontdekken.
Wij kunnen slechts begeeren hetgeen wij bij eigen onder-
vinding, bij gevolgtrekking of door het getuigenis van anderen
als begeerlijk, als nuttig of aangenaam, hebben leeren kennen.
Derhalve, indien wij begeeren, moeten wij ons het begeerde,
dat altijd in eene handeling, eene hoedanigheid of eenen toestand
van ons zeiven of van anderen moet bestaan, als verwezentlijkt
kunnen voorstellen. Die voorstelling is dus eene volledige
gedachte, die zoowel een onderwerp als een gezegde bevat.
Het gezegde zal de voorstelling zijn van de verlangde werking,
hoedanigheid of toestand, en de koppeling neemt den eigenaar-
digen vorm aan, dat de verbinding van onderwerp en gezegde
niet erkend, noch verworpen, noch ondersteld, maar
gewenscht of geëiseht wordt. Brengt men zulk eene ge-
dachte onder woorden, dan verkrijgt men eenen volledigen
volzin, die het gewenschte of begeerde uitdrukt, maar waarin
van het begeeren of eischen zelf niet uitdrukkelijk sprake kan
zijn, dewijl de aanduiding daarvan eeniglijk in den vorm der
koppeling ligt. Voorbeelden van uitdrukkingen, die tot het
begeervermogen behooren, zijn: Kinderen, loeest oplettend.
Zelfvoldoening zij het loon voor die edele daad.
Vergelijken wij zulke zinnen met de werkelijkheid, dan zien
wij, dat zij niet, ten minste op het oogenblik des sprekens nog