Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
109,
en zich niet laat aftrekken door bijomstandigheden, die het
wezen der zinnen niet betreffen.
Vooreerst moeten wij herinneren, dat de spraak eene openba-
ring is van hetgeen in ons eigen binnenste omgaat, en dat men
dus door uitingen van het gevoel- en begeervermogen alleen
te verstaan heeft zinnen of uitdrukkingen, die de gedachten,
het gevoel of de begeerten van den spreker zelven te
kennen geven, en niet van hetgeen in de ziel van een ander
omgaat. Vermelden wij eens anders gedachten, gewaarwordingen
of begeerten, ons door waarneming of mededeeling bekend ge-
worden, dan kunnen de zinnen, die wij bezigen, als uitdruk-
kingen van hetgeen wij aan anderen buiten ons hebben waarge-
nomen, niets anders zijn dan uitingen van ons eigen ken-
vermogen. Al mochten zoodanige zinnen de duidelijkste merk-
teekenen dragen, dat daarbij ons eigen gevoel bewogen of onze
hartstogt is opgewekt, zij behooren daarom toch niet tot de
uitdrukkingen van het gevoel- of begeervermogen. Zoo zijn b.
V. de zinnen: De arme man is wel te beklagen. Dat noem ik
onverdiend door de fortuin begunstigd te worden, niets meer
dan uitdrukkingen van het denkvermogen.
Uit deze opmerking volgt terstond, dat de verdeeling, die
wij thans te behandelen hebben, wederom gegrond moet zijn op
den derden actus in de gedachtevorming, op de koppeling, die
wij immers, blz. 39, hebben leeren kennen als den band tusschen
den denkenden geest en de gedachte, als datgene, waarin de
betrekking tusschen den spreker en zijne woorden gelegen ligt.
Indien derhalve alleen het gezegde een gevoelen of begeeren
uitdrukt, dan behoort de zin daarom nog niet tot de uitingen
van het gevoel- of begeervermogen; het is de koppeling, die er dat
karakter aan moet geven. Zoo behoort de zin: Wij gevoelen
ons diep ongelukkig, niet tot de uitdrukkingen van het gevoel,
noch: Wij wenschen hem eene spoedige herstelling, tot die
van het begeeren, dewijl de koppeling hier volkomen op dezelfde