Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
viii voorbericht.
van de helderheid en juistheid, waarmede hij zich die algemeene
begrippen kan voorstellen?
Ce que l'on conçoit bien s'énonce clairement,
Et les mots pour le dire arrivent aisément,
zegt BOILEAU in zijne Art Poétique, en ieder onderwijzer zal dit
gereedelijk toestemmen, maar ook omgekeerd, dat hetgeen wij zei-
ven slechts ten halve weten en doorzien, door den leerling nog veel
minder begrepen wordt.
Behoort de onderwijzer zich die algemeene begrippen helder en
duidelijk te kunnen voorstellen, niet minder moeten zij hem in
juiste en scherpe trekken voor den geest staan geteekend; zonder
inmenging van hetgeen aan het begrip vreemd is, maar ook volle-
dig, zonder leemten en gebreken. Zijn de fundamenten van een ge-
bouw slecht en zwak, liggen zij ook maar een weinig scheef, het
gansche gebouw zal dezelfde gebreken vertoonen. Evenzoo moet on-
genoegzame en onnaauwkeurige kennis van de eerste gronden der
grammatica bij den onderwijzer zich noodwendig in zijn gansche
taalonderwijs openbaren.
Daar de algemeene taalbegrippen hoogst afgetrokken zijn, is het
bevatten daarvan zeer moeilijk, en moet men geene geringe vaar-
digheid in het afgetrokken denken hebben verkregen om ze zich
helder en in al hare zuiverheid voor te stellen. Duidelijkheid van
voorstelling en juistheid van uitdrukking zijn derhalve onmisbare
vereischten in een leerboek voor de Logische Analyse, meer dan
in eenig ander. Daarom heb ik gemeend met het mededeelen van
mijne ophelderingen en bedenkingen iets te kunnen bijdragen tot
de vorming van toekomstige onderwijzers, en zoo doende aan het
taalonderwijs eene dienst te bewijzen. Mocht ik mij hierin niet be-
drogen hebben, dan zou ik den tijd, aan het opteekenen van mijne
gedachten besteed, niet verloren achten.