Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
104,
//beschouwde wijzen van uitdrukking van den zin der gedachten
//zijn uitdrukkingen van het voor stelling s- ol denkvermogen,
/! van het redelijk verstand-, andere zijn uitdrukkingen van het
Hgewaarwordings-vermogen, van het gevoel ai ge-
umoed. Dit zi^n n&mdi]\.A&uitroependemtoeroepende
//zinnen." Wat n uitroepingen!'' zijn, wordt eerst door voorbeel-
den duidelijk gemaakt. //De eersten zijn uitroepingen, zoo als:
n Hoe schoon is de natuur! Wat is dat vervelend! Wel ver-
n bazend, wat een menigte! Ach, welk een ramp! enz. In zulk
//een uitroep wordt, behalven den zin der woorden, altijd, vooral
//ook door den toon, een gevoel, gewaarwording, aandoening of
»gemoedsbeweging uitgedrukt." — Dit alles is klaar en duide-
lijk, maar wij moeten bekennen, dat wij den zin van het on-
middellijk volgende niet kunnen vatten; »Dit geschiedt wel
//niet altijd door hard of luid roepen-, elke uitdrukking van
//een aandoening qf gewaarwording, elke uiting van het
//al is het maar een naauwelijks hoorbare verzuchting, ja elke
//uitdrukking van de levendigheid, waarmee een zin der ge-
// dachten uitgesproken wordt, moet onder die benaming van
»uitroep begrepen worden." Wij begrijpen, hoe men, bij uit-
breiding der beteekenis van het woord uitroep, elke uiting van
het gemoed eenen uitroep noemen kan; doch reeds minder
duidelijk komt het ons voor, hoe eene // verzuchting" daartoe is
te brengen, die immers, ten minste, wanneer zij //naauwelijks
hoorbaar" is, niet tot de taal behoort; maar wij weten volstrekt
niet, wat wij te verstaan hebben door »elke uitdrukking van
// de levendigheid, waarmee een zin der gedachten uitgesproken
// wordt." Wat kan eene uitdrukking van die levendigheid zijn ?
Wel niet anders dan de toon, en kan de toon met den naam
van uitroep bestempeld worden?
Wat Schrijver door toeroepingen verstaat, wordt blz. 36 weder
eerst met voorbeelden opgehelderd: »Stil, zachtjes wat, kin-
»deren! Stilte daar ginder! Toe maar driest! Niet langer