Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
103,
ken worden. Wij zouden daarom de zinnen, zoo men ze naar
de predicaten verdeelen wil, onderscheiden in: 1. Existen-
tiale zinnen, 2. Identiteitszinnen, en 3. Qualiteits-
zinnen, en deze laatste weder in drie soorten: subjectieve,
objectieve en subjectiej-objectieve zinnen.
De soortverdeeling der zinnen, waarmede de heer eooeda
het eerste Hoofddeel van zijn werk besluit, is gegrond op de
betrekking der zinnen tot de zielsvermogens van den spreker.
De wijze echter, waarop Schrijver de verdeeling voorstelt, mist
de vereischte scherpte en duidelijkheid, en maakt haar onuit-
voerbaar. De beschouwing van den zin als // de uitdrukking van
den zin eener gedachte" is niet de eenige oorzaak der verwar-
ring ; er komt nog een ander element bij , dat de onzekerheid
vergroot. De toon namelijk, waarop een zin wordt uitgesproken,
wordt door den heer eookda bij de verdeeling insgelijks in aan-
merking genomen. De toon echter is zeer dikwijls in strijd met den
vorm der uitdrukking, en waaraan moet men zich dan houden?
Ofschoon het spreekwoord : c'est Ie ton quifait la musique, waar is,
zoodat het in vorm beleefdste verzoek door eenen trotschen toon
in een kwetsend bevel kan veranderen, en dus de zin van den
zin inderdaad uit den toon kan blijken, zoo gevoelt men toch,
dat de Logische Analyse de zachte overgangen van hevige drift
tot volslagen kalmte, van beleedigenden trots tot diepen oot-
moed niet kan onderscheiden en tot grondslag van verdeeling
aannemen. De gedachte, die werkelijk uitgedrukt is, en de voor
iedereen kenbare vorm, waarin zij is gegoten, moeten ook hier
de onderscheidende kenmerken bevatten.
Reeds op blz. 8 zegt Schrijver, van de modaliteit der zinnen
sprekende: //Deze modaliteit heeft zijnen grond in 's menschen
//ziel, en wel of in het voorstellings- of denkvermogen, bf in
//het gevoel of gewaarwordingsvermogen, bf eindelijk in den
nwiV; en op blz. 35 en vervolgens vinden wij, welke zinnen
Schrijver tot ieder dezer vermogens brengt: //Al de tot hiertoe