Boekgegevens
Titel: De logische analyse
Deel: 1 Beschouwingen naar aanleiding van Prof. T. Roorda's rede-ontleding of logische analyse der taal
Auteur: Winkel, L.A. te; Roorda, T.
Uitgave: Zutphen: Willem Thieme, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 09-1109
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205178
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De logische analyse
Vorige scan Volgende scanScanned page
102,
ook nog het onderwerp zelf in zich bevat. Nog minder kan
men zeggen, dat het onderwerp daarin voorkomt als object
of voorwerp tegenover zich zeiven of iets anders. Wij meenen
derhalve de identiteitszinnen onder geene der drie genoemde
soorten te mogen rekenen.
Er is nog eene soort van zinnen, die wij zouden willen af-
zonderen. In alle subjectieve, objectieve en subjectief-objectieve
zinnen drukt het gezegde eenen toestand of eene werking uit,
waarvan het onderwerp of een ander iets bf als subject bf als object
voorkomt, terwijl men stilzwijgend onderstelt, dat het subject
of object werkelijk bestaat. Maar er zijn ook zinnen, welke
het hestaan of de existentie van iets, zonder meer, uitdruk-
kelijk te kennen geven; b. v.: Er is een Zoodanige zinnen
noemt men existentiale zinnen. Ook deze kunnen niet dan ge-
dwongen tot de subjectieve, en natuurlijk in het geheel niet
tot de objectieve of subjectief-objectieve gebracht worden. Men
kan niet wel iets, dat bestaat, het subject of den drager van
zijn eigen bestaan noemen. Indien de subjectieve betrekking
van het onderwerp tot het gezegde iets meer zal zijn dan eene
bloote ontkenning van de objectieve; indien men er, even als
onder deze, iets positiefs onder verstaan wil, waardoor zij juist
het tegenovergestelde van deze wordt, dan kan men alleen zulke
zinnen subjectief noemen, waarvan de predicaten concrete begrip-
pen, iets meer dan het abstracte zijn, uitdrukken. Men moet
dus van de existentiale zinnen eene afzonderlijke soort maken.
In allen gevalle is het onderscheid tusschen de voorstelling van
het abstracte zijn of bestaan, waarbij aan geenen bij zonderen
toestand gedacht wordt, en die van het concrete zijn, het
zijn in zelteren toestand, groot genoeg om daarop eene verdee-
ling der predicaten te gronden; en zulks te meer, omdat het
abstracte zijn bij alle uitdrukkingen van het concrete zijn
stilzwijgend wordt ondersteld, en dus uit alle identiteits- en
qualiteitszinnen één of meer existentiale zinnen kunnen getrok-